3 november 2026
Zoals de meeste ouders willen ook ouders met een verstandelijke beperking hun kinderen een veilige, liefdevolle en gezonde start in het leven geven. Tegelijkertijd gaat het ouderschap bij deze groep vaak gepaard met grote uitdagingen en een verhoogd risico op onveilige opvoedsituaties. ‘Ouders met een verstandelijke beperking zijn oververtegenwoordigd in de jeugdbescherming, vooral met kinderen onder één jaar’, zegt Zijlstra.
Reden voor Zijlstra te onderzoeken wat dit kan verklaren, en hoe we deze ouders beter kunnen ondersteunen. De resultaten nuanceren het vaak nog heersende idee dat de verstandelijke beperking op zichzelf verklarend is voor onveilige opvoedsituaties.
Zijlstra bracht de risicofactoren in kaart bij aanstaande ouders met een verstandelijke beperking bij wie al tijdens de zwangerschap een kinderbeschermingsmaatregel was opgelegd. Daarbij kan de kinderrechter bijvoorbeeld beslissen dat al tijdens de zwangerschap jeugdbescherming wordt ingezet of vooruit beslissen dat na de geboorte een baby (tijdelijk) niet thuis kan wonen. ‘Bij deze ouders was de veiligheid van het nog ongeboren kind dus al in het geding’, legt Zijlstra uit.
Uit haar dossieranalyse blijkt dat veel van deze ouders met meerdere problemen tegelijk kampen, zoals een beperkt sociaal netwerk, armoede en een eigen problematische jeugd. ‘Het zijn vooral risicofactoren binnen het gezin en in de samenwerking met hulpverlening die samenhangen met de veiligheid van het kind na de geboorte’, zegt Zijlstra. ‘De verstandelijke beperking op zichzelf verklaart de onveilige situatie niet.’
Maar het is geen homogene groep. Zijlstra onderscheidt drie risicoprofielen onder ouders met een verstandelijke beperking:
Vooral de gezinnen uit cluster 2 en 3 hebben een grotere kans op zwaardere kinderbeschermingsmaatregelen. ‘Verschillende combinaties van risicofactoren gaan samen met verschillende trajecten in de jeugdbescherming’, aldus Zijlstra. ‘Dit ondersteunt de bevinding dat de verstandelijke beperking op zichzelf de onveilige situatie niet verklaart.’
Volgens Zijlstra is gerichte, tijdige en contextgerichte ondersteuning essentieel voor deze ouders. ‘Je kunt deze ouders niet zomaar een folder over opvoeden geven en dan op het beste hopen.’
Haar analyse van het bestaande hulpaanbod laat echter zien dat er weinig specifiek op deze groep toegesneden interventies zijn en dat de effectiviteit ervan beperkt is of onvoldoende onderzocht. ‘Dat is zorgelijk’, stelt Zijlstra. ‘We hebben een hoog aantal ouders met een verstandelijke beperking in de jeugdbescherming, maar passende ondersteuning ontbreekt vaak.’
Om in dit gat te springen onderzocht Zijlstra de effectiviteit van de nieuwe interventie Veilige Start bij bijna twintig gezinnen. Deze interventie is ontwikkeld mét en vóór aanstaande ouders met een verstandelijke beperking en biedt ondersteuning vanaf de zwangerschap tot in de eerste levensjaren van het kind.
Ze noemt de eerste resultaten ‘voorzichtig bemoedigend’. De interventie blijkt toepasbaar in gezinnen met meerdere complexe problemen, wordt gewaardeerd door ouders en hulpverleners en gaat samen met een duidelijke afname van de kans op uithuisplaatsing.
‘De oververtegenwoordiging van kinderen van ouders met een verstandelijke beperking in de jeugdbescherming is niet simpelweg een afspiegeling van de beperking van deze ouders’, stelt Zijlstra tot slot. ‘We moeten naar het systeem kijken waarin passende en effectieve ondersteuning onvoldoende beschikbaar is.’
‘De vraag is niet óf ouders met een verstandelijke beperking hun kind goed genoeg kunnen opvoeden, maar wat zij nodig hebben om ervoor te zorgen dat het goed genoeg gaat lukken.’
Annick Zijlstra, 2026, 'Supporting Today, Preparing Tomorrow’s Parents. Understanding and Improving Early Support for Expectant Parents with Intellectual Disabilities'. Promotoren: prof. dr. B. Orobio de Castro en prof. dr. M. van Nieuwenhuijzen.
Vrijdag 6 november, 10.00-11.30, Agnietenkapel, Amsterdam (aanmeldlink)